30 mei 1969

Optreden Nederlandse overheid & solidariteit met Antillianen

Op deze website brengen een Surinamer en een Antilliaan de geschiedenis tot leven van immigranten op Curaçao; van hun strijd voor betere leefomstandigheden en hun behandeling door de Nederlandse overheid.
Deze site is in wezen een exponent van dezelfde solidariteit als die zich in het interbellum deed gelden.

SEOC bestuurslid en initiatiefnemer van deze website kwam zelf ook in aanraking met de harde, angstige hand van de Nederlandse justitie. Eind jaren zestig maakte hij zich als HBO student in Nederland hard voor een betere behandeling van de mensen in Suriname en op de Antillen, getuige het onderstaande verslag van de gebeurtenissen rondom 30 mei 1969.

EERSTE DEMONSTRATIE TEGEN HET NEDERLANDSE KOLONIALISME
Solidariteit met Antillianen
Mijn eerste solidariteitsbetuiging met de armen van de Nederlandse Antillen dateert van 1 juni 1969, negen maanden na mijn aankomst in Nederland. Ik heb toen in Den Haag deelgenomen aan een demonstratie naar het Antillenhuis. De demonstratie was gericht tegen het beleid van de Nederlandse regering op de Nederlandse Antillen, tegen het Koninkrijksstatuut en tegen het zenden van Nederlandse mariniers naar Curaçao na de onlusten daar eind mei 1969.
Aan het eind van de demonstratie weigerden medewerkers in het Antillenhuis een petitie in ontvangst te nemen, waarna er ongeregeldheden uitbraken. Bij het politieoptreden zijn er rake klappen uitgedeeld en ben ik hardhandig gearresteerd waarbij ik gewond raakte door diepe beten van een politiehond in mijn rechter pols. Medische hulp werd geweigerd en ik werd in een pikdonkere cel van 1 bij 1 meter gegooid. De standaardbehandeling was een tetanusvaccinatie. Bij zijn poging de politiehond van het lijf af te houden, werd ook de geleider Van der Ham door de hond gebeten (1) waarna hij zich gedurende drie kwartier onder medische behandeling kon stellen. De Haagse officier van justitie jhr. mr. C.H.J.M. van de Poll was van mening dat de politie nog niet hard genoeg was opgetreden.
Ik was de eerste verdachte die op 12 februari 1970 terechtstond voor de Haagse rechtbank in een bijna negen uren durend proces. Ik studeerde in Leiden voor medisch analist (HBO). Ik werd ervan verdacht een steen te hebben geworpen door een ruit van het Antillenhuis. De officier van justitie jhr. mr. Van de Poll erkende later dat van de zijde van de Haagse politie wellicht maatregelen genomen waren die de grens van het toelaatbare overschreden hadden. Hij doelde kennelijk op de zeer harde klappen die de politie op de zwarte hoofden had uitgedeeld. De getuige à decharge Rudy Kross (journalist uit Amsterdam) zei dat er slechts twee stenen waren gegooid voor de politie van alle kanten een charge uitvoerde. Kross sprak van "tragische incidenten”, zoals: een jongen stond met de politie te praten en streelde de hals van een politiepaard, toen opeens de charge werd ingezet en hij het doelwit werd van de wapenstok van een andere politieruiter.


Mr. Van de Poll hield er rekening mee dat het hier een "legitieme” demonstratie betrof die uit de hand is gelopen en met nadruk betoonde de officier van justitie begrip voor de achtergronden, de politieke motieven van mij en de andere aangeklaagden.(2) Ook de president van de rechtbank, mr. Van Oldenborgh had begrip voor mijn motieven en die van de andere demonstranten. (3) Advocaat mr. A. Kater (overleden september 2006) kon mij niet vrij pleiten en ik werd veroordeeld (26 februari 1970). Ik sprak het volgende emotionele laatste woord:

'Ik demonstreerde omdat ik solidair ben met mijn zwarte broeders in Suriname en [op] de Nederlandse Antillen. Veel mensen op de Antillen komen op voor hun rechten omdat ze onder de meest ellendige omstandigheden leven, werkloos, in krotwoningen, geplaagd door honger en ziekten, terwijl ze hun eigen kinderen niet kunnen voeden. Niemand bekommert zich om hen, niemand komt voor hen op, niemand erkent hun rechten. Ze worden onderdrukt door de Nederlandse monopolies, wat gebeurt dankzij de koloniale situatie waarin zij worden gehouden. En als ze dan voor hun rechten opkomen worden ze door Nederlandse militairen onderdrukt. Dit moet het Nederlandse volk weten. Ik protesteer tegen leugens, dat wij zwartjes zo gelukkig en blij leven in een zonnig land. In Nederland worden wij gediscrimineerd als we werk of kamers zoeken, terwijl men vertelt dat wij alleen maar souteneurs en messentrekkers zijn. Ook dit zijn leugens die aan de kaak gesteld moeten worden. Als wij deelnemen aan een vreedzame demonstratie treedt de politie tegen ons op alsof wij misdadigers zijn. Men doet dat om ons te intimideren. Daarom word ik ook voor de rechtbank gedaagd. Al sleept men mij van de ene rechtbank naar de andere, ik zal mij blijven verzetten, want dit proces dat hier tegen mij en andere beklaagden wordt gevoerd toont de grote angst die men voor ons heeft. Hoe meer de politie ons mishandelt, hoe minder ze haar angst voor ons kan verbergen. Dit proces is een overwinning voor ons.'


Nizaar Makdoembaks met Afrokapsel en SSU-button vlak voor de Antillenhuisdemonstratie in 1969.

De verklaring ontlokte een daverend applaus uit de stampvolle publieke tribune (4; 5), waarna de president van de rechtbank mr. Van Oldenborgh een waarschuwing deed uitgaan: 'U dient zich op de tribune te onthouden van blijken van bijval of afkeuring, anders moet ik de tribune laten ontruimen.' Een groot aantal Antilliaanse en Surinaamse organisaties in Nederland had haar verontwaardiging geuit over de strafzaak. Het Surinaamse actiecomité Suracom had geprotesteerd tegen de wijze waarop de Haagse rechtbank de zaken tegen Surinaamse en Nederlandse demonstranten had behandeld. In een communiqué werd het volgende verklaard:

'De rechtbank gaf duidelijk blijk van partijdigheid, waarbij de beklaagden en getuigen niet de gelegenheid kregen hun verklaringen behoorlijk af te leggen. Bovendien weigerde de president de politieke achtergronden van dit proces tot hun recht te laten komen. Ofschoon dit één van de overwegingen was op grond waarvan de politierechter de zaken naar de meervoudige kamer had verwezen. Een getuige-deskundige, die hiervoor speciaal was opgeroepen, kreeg niet of nauwelijks de gelegenheid aan het woord te komen. Voorzover de getuigen à décharge een verklaring konden afleggen, bleek dat de getuigenissen van de politie op z’n zachts gezegd vragen opriepen. Niettemin werd door de rechtbank geen enkele poging gedaan deze nader te onderzoeken. Haar had kunnen blijken of de politie aan permanente meineed schuldig moest worden bevonden.'

Ook was een open brief aan burgemeester Marijnen van Den Haag verstuurd, waarin verontwaardiging werd uitgesproken over het "politieke proces". Dit protest was ondertekend door de Surinaamse Studenten Unie, de Surinaamse Studentenvereniging Wageningen, de vereniging Ons Suriname, de Surinaamse Studentenvereniging Utrecht en de Surinaamse Organisatie van Studenten. In de brief werd het proces gekenschetst als een poging tot intimidatie van de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap in Nederland. Er werd voorts gewezen op het feit, dat indertijd een commissie was benoemd om de gebeurtenissen rond de demonstratie bij het Antillenhuis te onderzoeken. 'Dit bewijst, dat er onzekerheid bestaat over de juistheid van de door de Haagse politie gegeven toedracht,' aldus de auteurs van de brief. In het communiqué van Suracom riep het actiecomité de verdachten op, alsnog hun recht te eisen in Hoger Beroep of de zittende rechters te wraken. Suracom besloot: 'Met de demonstranten, die vorig jaar het brute en vooropgezette optreden van de politie en haar opdrachtgevers aan den lijve hebben ondervonden, verklaart het comité te zullen blijven strijden tegen alle vormen van koloniale intimidatie van Nederland. Wij zullen ook niet wijken voor repressieve acties van het Nederlands politie apparaat.'
1. An.: "Antillenhuis", Vrij Nederland, februari 1970;
2. An.: "Officier toont begrip voor Antillenhuis-demonstratie", Algemeen Handelsblad, 13 februari 1970;
3. An.: "Rechtbank: begrip voor rellen Antillenhuis", Trouw, 13 februari 1970;
4. An.: "Demonstranten Antillenhuis voor rechtbank", de West (Suriname), 14 februari 1970;
5. An.: Leidse Dagblad, 13 februari 1970.